Inleiding
Augustus 1995 werd mij, min of meer per toeval, een Eryx Colubrinus loveridgei aangeboden. Daar ik in eerste instantie niks van deze soort wist heb ik mij er in „no time” in verdiept. Gelukkig kon ik het e.e.a. vinden in een boekje over dwergboa's, dat ik een tijdje geleden voor mijn Lichanura's had aangeschaft, en enkele artikelen in Literatura Serpentium. Toen ik het een en ander had gelezen kreeg ik een kleine indruk van hoe ik deze dieren zo goedmogelijk kon houden. Na deze informatie heb ik besloten om dit dier aan te schaffen. (Tevens kende ik iemand die ook geintresseerd was in deze soort en mocht ik toch nog besluiten om dit dier niet te houden was hij bij hem in goede handen.) Na aanschaf van dit dier, wat mij verkocht is als vrouw, ben ik op zoek gegaan naar een man. Dit zoeken koste mij meer moeite dan ik had verwacht, maar ik had toch enkele dieren kunnen vinden en daarom een afspraak gemaakt om elkaar op de „slangendag” te ontmoeten. Op de desbetreffende dag deelde hij mij mede dat hij de dieren al had verkocht, ik balen, maar ik ben naarstig op zoek gegaan naar een andere man. Gelukkig was er nog iemand die een aantal nakweekdieren bij zich had. Daar ik in principe opzoek was naar één man heb ik toch besloten om mij twee mannen en één vrouw aan te schaffen. Hierdoor had ik twee mannen en twee vrouwen, dacht ik. Na wat navraag aan andere Eryx liefhebbers, en een eigen controle van alle vier de dieren thuis bleek de eerste vrouw een man te zijn. Dus toen had ik drie mannen en een vrouw. Daar ik twee vrouwen en twee mannen wou hebben om een kweekgroep te beginnen ben ik op zoek gegaan naar een vrouw. Dit bleek net zoals eerder moeilijk. De moed had ik al een beetje opgegeven toen onverwachts de telefoon ging. Er werd mij een één jaar oud koppel aangeboden, alleen de vrouw was niet bespreekbaar. Dit koppel heb ik ook aangeschaft. Op dit moment ben ik in het bezit van zes dieren, vier mannen en twee vrouwen.
Beschrijving
De Eryx Colubrinus bestaat uit twee ondersoorten te weten de Eryx colubrinus colubrinus en De Eryx colubrinus loveridgei. De verschillen tussen deze twee ondersoorten zijn niet zo erg groot. Hieronder zal ik de verschillen, voor zover die mij bekend zijn beschrijven.
Algemeen:
Aangezien de verschillen van deze dieren, naar mijn mening, erg klein zijn, is het voor mij de vraag of er wel over twee ondersoorten gesproken kan worden. „Gelukkig” is het niet aan mij om dit te bepalen. Het geslacht is redelijk goed te bepalen bij volwassen dieren. Dit komt doordat de mannen een relatief langere staart hebben dan de vrouwen. Tevens zijn bij volwassen mannen de sporen in veel gevallen te zien. De mannen zijn in volwassen staat veel kleiner dan de vrouwen. De lengte varieert tussen de 60 en 80 cm. Helaas is bij jonge dieren het geslachtsonderscheid veel moeilijker te constateren.
Verspreiding
Het verspreidingsgebied ligt in noord- en oost Afrika en zelfs in Arabië. Ze zijn te vinden op de steppen en andere droge gebieden. Overdag zijn ze weggescholen onder het zand, stenen en in holen die door zoogdieren zijn gemaakt.
Voedsel
Het voedsel bestaat uit muizen die niet groter zijn dan halfwas. Bij voorkeur geef ik ze niet te grote prooien omdat ze die niet makkelijk kunnen eten. Uit een artikel dat staat in Literatura Serpentium, Vol 1, nr 5, blijkt dat sommige dieren problemen hebben met eten. De oplossing die werd aangedragen voor dit probleem was, om de dieren in een linnen zakje te doen, een dier per zakje, tezamen met twee nestmuisjes. De dieren zullen de prooi snel verorberen waarna de dieren in het terrarium kunnen worden terug geplaatst. Tevens is hierbij het voordeel dat je precies weet hoeveel een dier heeft gegeten. Mijn dieren geven geen problemen met eten zodat ik deze bovenstaande methode niet heb hoeven toe te passen. De vrouwen eten beter en meer dan de mannen, maar dat is niet ongebruikelijk bij slangen. Met betrekking tot het drinken heb ik gedurende de gehele dag een drinkbak in het terrarium staan. Dit tot tegenstelling van sommige andere Eryx liefhebbers die een of twee keer per week water aanbieden. Een reden die hiervoor is dat de dieren te veel willen drinken na het eten en daardoor hun prooi kunnen uitbraken. Dit fenomeen heb ik niet meegemaakt, maar niks is onmogelijk.
Huisvesting
De dieren worden tezamen gehouden in een terrarium van 70x60x35 (LxBxH). De bodembedekking bestaat uit zand, ca. 6 cm. Verder is het terrarium ingericht met wat takken, stronken en kunstplanten. Tevens zijn er diverse schuilgelegenheden in de vorm van stukken kurk neergelegd. Hieronder kunnen de dieren zich kunnen terug trekken. Dit is belangrijk daar de dieren in de natuur een nogal verborgen leefwijze hebben. In het terrarium ligt een warmtemat, A4 formaat, die gedurende 24 uur blijft branden waardoor het op de mat constant ca. 22 graden Celsius is. Daarnaast brand er een halogeen spot overdag, die zowel voor licht als warmte in het terrarium zorgt. In het terrarium kan de temperatuur oplopen tot wel 35 graden Celsius. In de kamer waar de dieren worden gehouden staat een radiator, die de temperatuur niet beneden de 20 graden Celsius laat komen.
Voortplanting
De voortplanting van deze dieren vindt plaats in de zomermaanden. De maanden juni en juli. Na ongeveer vier maanden worden de jongen geboren (Boa's zijn eierlevendbarend). Diverse liefhebbers houden de dieren het hele jaar gescheiden en zetten ze alleen gedurende de paar periode bij elkaar. Het is mijn bedoeling om de dieren het gehele jaar bij elkaar te houden. Er wordt geadviseerd om meer mannen, twee of drie, bij de vrouwen te zetten. Hierdoor is er een grotere rivaliteit waardoor de paringen in de regel succesvoller zijn. De worp bestaat meestal tussen de tien en twintig jongen. In de natuur werpen de vrouwen over het algemeen om de twee jaar, maar in gevangenschap kunnen ze ieder jaar nakomelingen krijgen.
Jongen
In het najaar worden de jongen geboren en zijn dan ongeveer 20 cm lang. De jongen worden gevoerd met eendags muizen.
Tot slot
Het zijn naar mijn mening leuke en aantrekkelijke dieren om te zien. Ze zijn niet agressief en zeer handelbaar. Helaas hebben ze een wat verborgen levenswijze, wat resulteert dat de dieren niet vaak te zien zijn. Hierbij wil ik wel opmerken dat de dieren 's nachts het actiefst zijn en regelmatig boven het zand zijn te zien.
Literatuur
-Pols, Jhon van der, De verzorging en kweek van de Eryx Colubrinus
Loveridgei. Literatura Serpentium.
-Lamers, Heinz, Kweekresultaat Eryx Colubrinus Loveridgei,
Literatura Serpentium.
-Woerkom, A.B. van, Het voederen van Eryx Colubrinus Loveridgei,
Literatura Serpentium Vol.1, nr. 5, blz. 181-182.
-Boas Rosy en Ground, Jerry G. Walls.
-Kriegtiere und Lurche im Mittelmeerraum, Sauers Naturführer.
-Schlangen, Treutnau.
nleiding
Over Thamnophissen wordt in de literatuur maar weinig geschreven. De redenen hiervoor zijn, naar mijn mening, dat Thamnophissen veelal worden gezien als een beginnersslang, helaas moet ik de mensen die er zo over denken teleurstellen vooral om het feit dat de groep Thamnophishouders in Nederland langzaam maar zeker groter wordt, en niet zo spectaculair zijn als de muizen etende slangen, een ander punt kan wezen dat doordat deze dieren vis eten hun ontlasting meer „stinkt” dan niet viseters. Ik ben van mening dat als men vindt dat Thamnophissen „stinken” de verzorgers er ook invloed op hebben, regelmatig ontlasting uit het terrarium halen. Het is wel zo dat deze dieren iets meer ruiken van niet viseters, maar na mijn mening valt het reuze mee, ik vind een kaatsbaan vele malen erger. Het is jammer als dat de redenen zouden zijn om deze dieren niet aan te schaffen, daar het toch een van de leukere en zeker een van de actiefste slangen zijn die ik ken. De reden dat deze dieren zo actief zijn heeft volgens mij te maken met het feit dat ze door hun lichtverteerbare voedsel de hele dag actief op zoek moeten gaan naar voedsel. Thamnophissen zijn ook hele nieuwsgierige en zachtaardige dieren, je kan er bijna alles mee doen, uiteraard in het redelijke, zonder dat ze agressief worden. Er zijn een kleine vijftig soorten en ondersoorten bekend en beschreven. Ik wil mij beperken tot de soorten en ondersoorten die ik nu in mijn bezit heb en in het verleden in mijn bezit had. Hieronder volgt een lijst met namen van de soorten en ondersoorten die ik in mijn bezit heb en heb gehad.
Verspreiding
Thamnopissen komen voor vanaf midden Canada, door heel de USA en Mexico tot aan het Panama-Kanaal, dus bijna heel Noord-Amerika. In dit gebied komen ze voor van Noord tot Zuid en van Oost tot west. Er zijn ook groepen, soorten en ondersoorten, die geïsoleerd voorkomen zoals T. sirtalis tetrataenia in een klein geïsoleerd gebied bij San-Francisco voorkomt evenals de T. sirtalis sirtalis Black die ook geïsoleerd voorkomt, vandaar die zwarte kleur die voorkomt bij dieren die door natuurlijke inteelt donkerder worden. ZOALS U HIER BOVENKUNT LEZEN IS HET EEN ALGEMEEN VOORKOMENDE SLANG IN NOORD-AMERIKA.
Beschrijving
Thamnophissen zijn geen overdreven grote dieren. Hun lengte varieert van ca 40 cm voor de kleine soorten, zoals butleri en brachystoma, tot ca 130 cm voor de grotere soorten, zoals parientalis. Er is meestal ook een verschil in grote tussen de mannen en vrouwen, de vrouwen zijn over het algemeen groter en forser van bouw. De meeste soorten zijn voorzien van drie lengte strepen waarvan er een midden over de rug loopt en aan elke zijkant. Er zijn individuen, soorten en ondersoorten waarbij de strepen slecht, gedeeltelijk of helemaal niet te zien zijn. De kleur varieert dusdanig van soort, ondersoort en individu dat er geen echte algemene kleurbeschrijving mogelijk is. Tevens is het vaak moeilijk soorten en ondersoorten van elkaar te onderscheiden. Ook bij officiële erkende ondersoorten heb ik nog wel eens mijn twijfel of het om een ondersoort of een kleurslag gaat. Voor de determinatie ga ik er maar van uit dat de „doctoren” weten waar ze het over hebben. THAMNOPHISSEN zijn zogenaamde waterminnende slangen dit houdt in dat deze dieren zich rond, en soms in, het water ophouden, dit heeft uiteraard ook te maken met het voedsel dat Thamnophissen eten. Het zijn dus geen waterslangen, zoals wel eens beweerd wordt.
Voedsel
De voeding in de natuur bestaat hoofdzakelijk uit vis, kikkers, salamanders, slakken en wormen. Zelf geef ik ze hoofdzakelijk spiering met het vitamine preparaat Carmix er overeen gestrooid en een enkele keer, meestal de grotere vrouwen, een halfwas of nestmuisje als afwisseling, hierbij moet het muisje wel met vis worden ingesmeerd. De spiering die ik voer is zoetwaterspiering. Het voeren van zoetwater vis is van belang omdat anders er een grootte kans bestaat voor het krijgen van een gebrek aan vitamine B1 (Zwart,1981). Ik heb ook jaren het vitamine preparaat Gistocal met succes gebruikt. De reden dat ik tegenwoordig Carmix gebruik is dat de samenstelling van Carmix beter is afgestemd op reptielen dan Gistocal die toch meer bedoeld is voor grotere dieren met een groter botten stelsel, dit is vooral te merken aan de grootte hoeveelheid kalk in Gistocal. Uiteraard hebben slangen ook kalk nodig maar niet in die grote hoeveelheden, de meeste kalk komt binnen door het eten van de prooidieren. Hierbij wil ik wel opmerken dat ik nooit schadelijke effecten heb bemerkt met het voeren met het vitamine preparaat Gistocal. Buiten het bovenstaande was het mij vroeger moeilijk om aan Carmix te komen in kleine hoeveelheden, dan praat ik tot ca 5 jaar terug daarvoor had ik er nog nooit van gehoord.
Huisvesting
Het totale terrarium waar ik mijn dieren in huisveste was 265 X 185 X 60 CM (L X H X D) en is gemaakt van geplastificeerd spaanplaat. Het terrarium was in diverse compartimenten ingedeeld variërend in lengte van vijftig tot honderdtien cm lang. In de nieuwe situatie begin 1995 zullen de terrariums in grootte variëren van zeventig tot honderdtien cm lang en ca 30 cm hoog en zestig cm diep. De reden van de wijziging in maten van de terrariums is dat er eind januari 1995 een dakkapel geplaatst is op zolder en dat ik een aparte kamer heb gebouwd die kleiner is, 220×200 (LxB), dan de ruimte waar ik voorheen het terrarium had staan. Doordat de ruimte kleiner is was ik min of meer genoodzaakt om de terrariums lager te maken om de dieren toch een zo groot mogelijk vloer oppervlak te geven, daarbij is mij opgevallen in de loop der jaren dat Thamnophissen geen echte klimmers zijn. De verlichting bestaat hoofdzakelijk uit SL-lampen, de zogenaamde spaarlampen (jampotglazen). Het onderwerp verlichting wordt uitgedieptbij de voortplanting. Als bodembedekking gebruik ik al jaren zaagsel. Ik heb vele ondergronden geprobeerd van zijl tot grint van zand tot turf maar zaagsel heeft mijn voorkeur. Het grote voordeel van zaagsel is het goede absorptie vermogen. Dit vind ik van groot belang daar Thamnophissen door het lichtverteerbare voedsel vrij vochtige ontlasting hebben in tegenstelling met muizen etende slangen. Verder heb ik als inrichting takken, stenen en kunstplanten. Zeker mag niet vergeten worden een schuilgelegenheid en een redelijke waterbak, 15×30 CM, dit is uiteraard afhankelijk van de soort en grootte van de dieren.
Voortplanting
Om de voortplanting van Thamnophissen te stimuleren deed ik in het verleden niet veel bijzonders zeker niet in mijn begin periode toen had ik de mannen en vrouwen zomer en winter bij elkaar en de hoeveelheid licht/warmte bleef onveranderd, de lamp was zowel voor het licht als voor warmte. Daarna heb ik een aantal jaren geëxperimenteerd met de lichtintensiteit, zomers ca 12 uur en in de winter ca 4 uur. Hierbij constateerde ik dat op het moment dat de lichtintensiteit toenam de soms de mannen seksueel actiever werden. Ook in deze periode had ik de mannen en vrouwen het hele jaar door bij elkaar. De laatste jaren heb ik op een iets andere manier geëxperimenteerd met lichtintensiteit en met warmte. In de zomer had ik de dieren, mannen en vrouwen bij elkaar, op 12 uur licht en er werd bij verwarmt door middel van een gloeilamp gedurende maximaal vier uur. In de winter werd het licht en de warmtebron tot het nul punt gereduceerd in een tijdsbestek van een maand. Hierbij moet ik wel opmerken dat in de gehele periode, al die jaren, de dieren in de huiskamer werden gehouden. Van alle van de hierbovenstaande soorten paringsstimuli heb ik bijna alle jaren jongen gehad, dit duid er voor mij op dat Thamnophissen niet erg gevoelig zijn voor stimuli om te paren. De dieren worden bij mij in groepen variërend van vier, 2-2, tot zeven, 2-5, dieren bij elkaar gehouden, zoals uit het voorgaande kan worden opgemaakt, de dieren verschillen in de meeste gevallen ook van leeftijd, tevens wil ik opmerken dat op een enkel dier na al mijn dieren nakweek zijn is en de meeste zelf heb opgekweekt, het aantal is afhankelijk van de soort Thamnophis en de ruimte in het desbetreffende terrarium. Er is geen directe reden dat ik meerdere dieren in een terrarium houd al zij het wel dat ik het risico van overlijden en geen ander volwassen exemplaar achter de hand wil hebben zo klein mogelijk wil maken. De voortplanting van Thamnophissen gaat net zoals de meeste andere slangen soorten (voor geslachtsonderscheid zie tekening). De man kruipt op het vrouwtje en probeert zijn cloaca op die van het vrouwtje te drukken en een van zijn hemipenissen, afhankelijk van hoe de man op de vrouw ligt, in te brengen. Na een geslaagde paring zal na drie tot vier maanden de jongen geboren worden. Thamnophissen zijn eierlevendbarend, dat wil zeggen dat de jongen volgroeid geboren worden en in een eivlies zitten alwaar ze vrijwel direct uit kruipen. Het grote voordeel hierbij vindt ik dat men geen eieren hoeft uit te broeden in een broedstoof. Een worp kan variëren tussen de tien en vijftig stuks. Het aantal en de grootte van de jongen is afhankelijk van de soort en leeftijd van de ouder dieren.
Jongen
De jongen zijn bij hun geboorte tussen de 10 en de 20 cm lang. Over het opkweken en verzorgen van jongen kan ik heel kort zeggen dat ik alle jongen voer met een combinatie van vis, spiering, en wormen in kleine stukjes gesneden en daardoorheen CARMIX gestrooid. Om wormen klein te snijden gooi ik ze in een bakje met heet leidingwater, tevens heeft dit als voordeel dat de meeste bacteriën worden gedood. Uiteraard zijn de stukjes zo klein dat het voor de jongen als „eenhaps” stukjes naar binnen kunnen gaan. Het is van belang om de stukjes zo klein mogelijk te houden omdat, in mijn geval, meerdere jongen in een terrarium worden gehouden en de kans op vechten en het eventueel opeten van elkaar tot een minimum te beperken. Het opeten van elkaar, kannibalisme wil ik het niet noemen, is niet expres maar het „denken” dat de ene slang een prooi is en daardoor naar die slang hapt en indien hij beet heeft gewoon dooreten of ieder aan een kant van een prooi en gewoon door eten waardoor de grootste slang de kleinste opeet. Dit komt heel sporadisch voor, meestal laat een van beide dieren op tijd los. Ook bij mij is het wel helaas wel eens voorgekomen dat er een dier op deze manier is verdwenen, maar in al die jaren is het aantal op een hand te tellen.
Tot slot
Hierbij hoop ik dat er nog meer Thamnophisliefhebbers zullen komen die net as ik veel plezier aan deze dieren zullen beleven. Zijn er nog vragen naar aanleiding van dit artikel dan kunnen zij gerust contact met mij opnemen
Literatuur
In de loop van de ca 20 jaren dat ik Thamnophissen bezit heb ik zoveel informatie gelezen dat ik niet meer weet waar ik het een en ander heb gelezen. De literatuur die ik heb gelezen is veelal in het buitenlands, Engels en Duits.
THAMNOPHIS KWEEK „NIEUWE STIJL” Auteur: J. van het Meer, Chopinpad 34, 1323 RZ, Almere, Tel. 036-5361243.
Inleiding
Zoals in een eerder artikel over Thamnophissen dat door mij was geschreven had ik in de voorgaande jaren niet veel bijzonders gedaan om mijn dieren te laten aren. De voorgaande jaren had ik „geëxperimenteerd” met licht en warmte.Vanaf Februari 1995 ben ik met een, voor mij, nieuwe stijl van kweken begonnen. Deze „nieuwe stijl” van kweken kon doordat ik vanaf Februari 1995 een aparte uimte/kamer tot mijn beschikking heb, er is eind Januari een dakkapel op de zolder geplaatst, om de dieren te huisvesten. Voorheen had ik geen behoefte om op deze manier te kweken. De reden hiervan was dat de dieren altijd in de huiskamer of zijkamer waren gehuisvest. Het gedurende kortere of langere tijd kijken naar lege terraria trok mij niet. Nu mijn dieren niet meer direct in het zicht zijn heb ik er minder problemen mee om ze in winterrust te laten
gaan. Tevens heb ik meteen van deze gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal vragen, die ik al enige jaren had, voor mijzelf te beantwoorden. Op enkele van deze vragen lopen de meningen nogal uiteen. De vragen luiden als volgt:
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
wanneer zijn de dieren parings bereid zijn.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
is een paring voldoende.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
is de winterrust zinvol voor Thamnophissen.
Hieronder zal het een en ander worden beschreven van wat ik zoal gedaan heb, wat de resultaten zijn en of ik op mijn vragen een antwoord heb gekregen.
Winterrust
Twee weken voor de winterrust, half Januari, ben ik gestopt met voeren, zodat de dieren met een lege maag aan hun winterrust kunnen beginnen. De problemen die zich eventueel kunnen voordoen als er voedselresten in de maag blijven zitten kunnen de volgende zijn:
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
gasophoping door het rotten van voedselresten, dit kan de dood tot gevolg hebben.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
het uitbraken van de prooi, dit is uiteraard ook niet bevorderlijk voor het dier.
Alle dieren zijn vanaf eind Januari tot eind Maart in winterrust geweest, twee maanden. Tijdens de winterrust zijn de dieren in hun eigen terrarium gebleven. Dit vindt ik persoonlijk de makkelijkste oplossing vooral omdat ik de controle op de dieren makkelijker vindt. Tijdens deze rustperiode hebben de dieren continu water tot hun beschikking gehad. De temperatuur in deze periode was tussen de 10 en de 17 graden celcius, deze ruimte/kamer is redelijk koel te houden en alleen op warme dagen ging het kwik de naar de 17 graden celcius.
Sommige dieren waren op die „warme” dagen redelijk actief, maar gingen weer in rust als het koeler werd. De mannen en de vrouwen zijn gedurende de hele rustperiode gescheiden van elkaar geweest. Eind Maart heb ik de dieren weer langzaam uit hun winterrust gehaald en de eerste dieren begonnen begin April al weer te eten.
Licht
In mijn terraria gebruik ik SL spaarlampen, dit zijn energie zuinige lampen die voldoende licht geven. Twee weken voordat ik stopte, begin Januari, met voeren ben ik begonnen met het afbouwen van de lichtintensiteit. Dit hield in dat ik in een periode van ca een maand het licht terug bracht van 10 uur naar 0 uur. Helaas heb ik geen gegevens meer van wanneer en op welke tijdstippen de lichtintensiteit is afgebouwd. Gedurende de hele winterrust is het licht uit geweest met als enige lichtbron het buitenlicht. Het afdekken, donker maken, van de terraria, wat sommige liefhebbers wel doen, wordt door mij niet gedaan
omdat ik het niet nodig acht. Ook hierdoor wordt de controle op de
dieren makkelijker. Aan het einde van de winterrust wordt het licht in een maand tijd weer opgevoerd tot 10 uur. Het opvoeren van de lichtintensiteit
gebeurt, net zoals bij het afbouwen, in blokken van twee uur per keer.
Hieronder volgt een overzicht wanneer en op welke tijdstippen ik de
lichtintensiteit heb opgevoerd.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
03-03-95 licht twee uur aan (12.00-14.00 uur)
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
08-03-95 licht vier uur aan (12.00-16.00 uur)
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
16-03-95 licht zes uur aan (10.00-16.00 uur)
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
25-03-95 licht acht uur aan (10.00-18.00 uur) tevens de tijdschakelaar op zomertijd gezet
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
02-04-95 licht tien uur aan (09.00-19.00 uur)
De gehele zomer zal deze lichtintensiteit zo blijven totdat de dieren weer in winterrust gaan. Bij de volgende winterrustperiode zal het hele ritueel weer van voren af aan beginnen.
Warmte
De terraria worden niet extra verwarmt door b.v. warmtematjes of extra lampen. Wel is het zo dat de SL-spaarlampen een geringe warmte afgifte hebben waardoor het in de terraria ca drie graden warmer is dan in de ruimte/kamer waar de terraria staan. De ruimte zelf wordt vanaf het eerste moment dat de dieren uit winterrust komen verwarmt door een radiator, C.V., die de ruimte/kamer dag en nacht niet beneden de twintig graden celcius laat komen. Als in de zomer de temperatuur buiten omhoog gaat zal ook de temperatuur in de ruimte/kamer mee omhoog gaan. Dit houdt uiteraard ook in dat de temperatuur in de terraria
omhoog gaan. Hieruit zal u begrijpen dat de temperatuur in de terraria, zowel s'nachts als overdag, niet beneden de twintig graden celcius komt en de hoogte van de temperatuur zeer variabel kan zijn. De afgelopen zomer werden overdag zelfs waarden van vijfendertig graden en hoger gemeten. In de zomer waren er soms dagen waarop de verlichting in de terraria, door mij, werd uitgeschakeld om toch de temperatuur niet al te hoog doen oplopen.
Paringen
In de maand April/Mei zijn de mannen bij de vrouwen gezet en hebben er paringen plaats gevonden. De paringen duurden, afhankelijk van de interesse van de mannen, 30 tot 90 minuten. Indien er geen of nauwelijks interesse was werden de man/mannen weer verwijdert en werden naar een paar dagen weer opnieuw bij de vrouw/vrouwen geplaatst. Dit net werd zo vaak herhaald totdat bijna alle dieren hadden gepaard. Helaas waren sommige vrouwen niet paringsbereid en werd er na eind Mei gestopt met het plaatsen van de mannen bij deze vrouw/vrouwen. Hieronder zal ik de paringen beschrijven zoals ik die heb waargenomen.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Thamnophis sirtalis sirtalis black.
De paringen bij de Thamnophis sirtalis sirtalis black waren zeer fel en duurden ca 30 minuten. De dames in kwestie hielden in alle drie de gevallen hun staart omhoog en zodat hun cloaca open ging staan daar de hemipenis van de man makkelijk naar binnen kon. Bij twee van de drie paringen waren de vrouwen net verveld. Bij de vrouw die niet was verveld duurde het iets langer voordat ze paringsbereid was.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Thamnophis sirtalis similis.
Bij de Thamnophis sirtalis similis daarentegen verliep bij de ene vrouw de paring rustig en daar is mij ook niks bijzonders opgevallen, zij het dat de man al het werk moest doen. De medewerking van deze vrouw was niet zo enthousiast als bij de Thamnophis sirtalis sirtalis black. De andere vrouw weigerde te paren, voor zover ik het kan inschatten heeft zij sperma opgeslagen van 1994 en die gebruikt om
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Thamnophis marcianus.
De Thamnophis marcianus hebben de beide mannen gedurende de maanden April en Mei bij de vrouwen gezeten en daardoor heb ik helaas geen paringen kunnen waarnemen. Dit had te maken dat de mannen geen interesse hadden in de vrouwen.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Thamnophis sirtalis semifaciata.
Bij de Thamnophis sirtalis semifaciata heb ik bij twee vrouwen een paring gehad net na de vervelling waarvan de ene vrouw bereidwilliger was dan de andere. De derde vrouw is wel bij de mannen geweest maar daarbij heb ik geen paringen waargenomen.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Thamnophis sirtalis parientalis.
De mannen zijn diverse malen bij de vrouwen gezet maar er was geen of nauwelijks sexuele activiteit bij de mannen. Het maakte ook niet uit of ze net waren verveld of niet. Op de Thamnophis marcianus na, dit kon ik niet controleren, had ik bijna alle vrouwen een keer laten paren, onder een succesvolle paring versta ik een paring waarbij de man, met zijn hemipenis, vast zit aan de vrouw en bij het loslaten van elkaar de man geen interesse meer heeft in deze vrouw.
Nakweek
Bijna alle vrouwen hadden in 1995 gejongd, ook enkele vrouwen die niet hadden gepaard. De vrouwen die niet hebben gepaard hebben gebruik gemaakt van spermaopslag. Tevens waren alle vrouwen en mannen volwassen, geslachtsrijp. De leeftijd van de vrouwen en mannen was twee jaar of ouder. Hieronder volgen de kweekresultaten over 1995.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Thamnophis sirtalis sirtalis black.
Vrouw 1) 02-07-95 05 jong, 08 ei, 07 dood.
Vrouw 2) 07-07-95 10 jong, 05 ei, 01 dood.
Vrouw 3) 10-07-95 01 jong, 07 ei, 00 dood.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Thamnophis sirtalis similis.
Vrouw 1) 21-01-95 14 jong, 03 ei, 07 dood.
Vrouw 1) 20-07-95 08 jong, 10 ei, 01 dood.
Vrouw 1) heeft twee keer geworpen in 1995.
Vrouw 2) 04-08-95 19 jong, 00 ei, 01 dood
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Thamnophis marcianus.
Vrouw 1) 01-07-95 07 jongen, 03 ei, 00 dood.
Vrouw 2) 13-07-95 07 jongen, 00 ei, 07 dood.
Vrouw 2) bij de dode jongen zat een albino exemplaar.
Vrouw 3) 14-08-95 05 jongen, 00 ei, 09 dood.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Thamnophis sirtalis semifaciata.
Vrouw 1) 15-06-95 01 jong, 00 ei, 00 dood.
Vrouw 1) 18-06-95 32 jong, 00 ei, 00 dood.
Vrouw 1) heeft in twee etappes geworpen.
Vrouw 2) 11 jong, 04 ei, 01 dood, 01 mismaakt.
Vrouw 3) 15 jong, 00 ei, 00 dood.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Thamnophis sirtalis parientalis.
Vrouw 1) 01 jong, 00 ei, 00 dood.
Vrouw 2) niet geworpen.
Vrouw 3) niet geworpen.
Conclusie
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Enkele mannen hebben in sommige gevallen twee of drie vrouwen bevrucht, dit kan misschien consequenties hebben voor de kwaliteit van het sperma.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Het aantal paringen bij de Thamnophis marcianus was niet te controleren.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
De paringsdrift van de mannende en de paringsbereidheid van de vrouwen is nogal wisselend, maar over het algemeen zijn de dieren direct na de winterrust bereidwillig. Hierbij wil ik wel opmerken dat de vrouwen die net verveld waren het meest paringsbereid waren en de mannen waren in de meeste gevallen actiever om te paren.-Een paring is voldoende om nakweek te krijgen waarbij opvalt dat aantal jongen iets lager is dan voorgaande jaren. Dit kan ook door
omstandigheden komen alwaar ik geen invloed op heb zoals b.v. de zeer hoge temperatuur van de afgelopen zomer.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Het aantal onbevruchte eieren was niet veel hoger dan in andere jaren, maar het aantal dode/niet goed ontwikkelde jongen was daarbij wel iets hoger.
- https://www.ter.nl/animalpedia_prj/lib/tpl/gina-fso2/images/dot.gif); margin-left: -25px;">
Hierbij is voor mij duidelijk dat een winterrust voor de bovenstaande Thamnophis soorten niet echt noodzakelijk is om te kweken. Hierbij wil ik wel opmerken dat dit een verslag is over een seizoen en dat de uitslag over meerdere seizoenen misschien anders uitvallen.
Toekomst
In de toekomst ga ik door met de dieren in winterrust te houden, de winterrust periode wordt langer, ca. drie maanden. Dit heeft betrekking met andere langen soorten, geen Thamnophissen, die ik in mijn bezit heb. Tevens zal ik de mannen gedurende een maand bij de vrouwen laten zitten en ze daarna weer scheiden zodat er eventueel meerdere paringen kunnen plaatsvinden. Hierdoor wil ik proberen of het aantal onbevruchte eieren en dode/niet volgroeide jongen kan worden gereduceerd.
Tot Slot
Het is opvallend dat een paring, in sommige gevallen zelfs spermaopslag, voldoende is om nakweek te krijgen. Dit geeft maar aan dat er met de bovenstaande Thamnophis soorten en misschien wel alle Thamnophissoorten relatief makkelijk te kweken is, hierbij ga ik er uiteraard wel van uit dat de dieren goed worden verzorgd en gehuisvest. Zijn er nog vragen of opmerkingen omtrent dit artikel dan sta ik hiervoor open.
Inleiding
Lampropeltis ruthveni of Ruthven 's / Queretaro koningsslang is een van de wat onbekendere Lampropeltis soorten. Literatuur is moeilijk te vinden.
Deze makkelijk te houden Lampropeltissoort zie je nog niet veel in collecties. Dit heeft waarschijnlijk ook te maken met het feit dat de nakweekdieren de eerste periode eetproblemen geven zoals bij meerdere kleinere Lampropeltissoorten.
Ik wil doormiddel van dit artikel wat meer bekendheid geven aan deze schitterende slang en de vrees voor de eetproblemen bij de jonge dieren weg nemen.
Beschrijving
Jarenlang is Lampropeltis ruthveni ingedeeld bij het triangulumcomplex met name door de kleurschakering (tri-colors) . Op basis van de vorm van de kop en hemipenis was indeling in de mexicanagroep gerechtvaardigd. Recent is zij echter beschreven als een aparte soort( 1982 Gartska W.R.).
Lampropeltis ruthveni is een korte fors gebouwde slang. De kop is duidelijk afgescheiden van de nek. Volwassen dieren worden niet langer dan 70-90 cm.
De basiskleur van het lichaan is donkerrood met zo'n 23 to 34 banden. De banden zijn wit/creme/witgroen gekleurd aan beide zijden omzoomd met een zwarte band. De lichte banden zijn niet breder dan twee tot drie schubben. De kop is zwart met variabele, soms ontbrekende, helderrode vlekken.
Sinds kort zijn er ook albino exemplaren en kruisingen met L. alterna bekend, met name in de VS.
De beschubbing telt dorsaal 23 rijen schubben, ventraal 182-196. Dit is een lager aantal als de meeste slangen van het triangulumcomplex. Het anaalschild is ongedeeld.
Het aantal eieren dat de slang legt is in de literatuur die ik heb kunnen vinden erg variabel van 4-8 bij Raab(1997) tot 6-20 eieren bij Waco(1997).
Verspreiding
Het exacte verspreidingsgebied is niet bekend. De slang is gevonden in de mexicaanse deelstaten Michoacan, Queretaro, Jalisco en misschien Durango. Markel (1990) geeft twee los van elkaar staande gebieden aan als leefgebied maar geeft daarbij aan dat er mogelijk een groter verspreidingsgebied mogelijk is. Verder inventarisaties in toekomst zullen meer inzicht in het verspreidingsgebied geven, hetgeen door de leefwijze van deze slang een moeizame klus zal zijn.
De slangen leven op steenachtige hellingen met lage begroeing op het mexicaans plateau. Zij leven voornamelijk in de humuslaag en zijn vooral s'nachts aktief.
Huisvesting
De slangen van het koppel zijn ieder apart gehuisvest in spaanplaat terrariums van 37 cm x 50 cm x 40 cm (breedte x diepte x hoogte) die onderdeel uitmaken van een blok van 15 terrariums.
De inrichting is sober, de bodembedekking bestaat uit fijne beukesnippers, verder een bloempot en her en der verspreid wat forse boomstronken en een kleine waterbak. De boomstronken zorgen ervoor dat de dieren een verborgen leven leiden.
De verlichting en verwarming bestaat uit een 15 watt lampje.
In de zomer is dit soms teveel, bij lange periodes van warm weer, zoals afgelopen jaar is dit lampje soms wekenlang uit. In de winter maanden is het lampje niet voldoende krachtig en zorgt ervoor dat de dieren van half november tot half februari een winterrust doormaken. De maanden december en januari is de verlichting helemaal uit, hierdoor ontstaat een periode van echte winterslaap.
Gedurende deze periode beschikken de dieren wel over drinkwater, maar krijgen niets te eten.
Gedrag
Ruthven's koningsslang is een zeer eenvoudig te verzorgen slang. De slang vraagt wel een terrarium met veel schuilplaatsen, ze leven erg verborgen. Het is een nachtactieve slang die leeft onder stenen en in knaagdierenholen.
In het wild schijnt de slang agressief te kunnen zijn, in gevangeschap is het een vriendelijke, een soms wat nerveus bewegende slang.
In de natuur schijnt de Lampropeltis ruthveni zich te voeden met kleine knaagdieren en hagedissen. In gevangenschap eten zij uitsluitend muizen. De jonge slangen zijn moeizaam aan het eten te krijgen, maar gaan zij eenmaal eten dan is er ook geen houden aan. Volwassen slangen zijn echte holle bolle gijzen en moeten ook geremd worden in hun eetlust. Een metabole (winter) rust van twee/vier maanden is dan ook zeker aan te bevelen.
Nakweek
Na wat teleurstellingen, mannetjes die vrouwtjes bleken te zijn, nieuwe dieren om de kweekgroep compleet te krijgen gingen dood etc, is het uiteindelijk gelukt een koppel slangen op te laten groeien en volwassen te krijgen.
Beide slangen zijn in het voorjaar van 1997 drie jaar oud, en qua lengte geslachtsrijp. Het vrouwtje is dan ongeveer 60 cm lang het mannetje 70cm.
In de eerste twee weken van april is het mannetje een aantal malen bij het vrouwtje in het terrarium gezet. Alleen gedurende de tweede week zijn er paringen gezien. Tijdens de paringen was er sprake van zogenaamde nekbeet. Na deze periode zijn de dieren weer apart gehuisvest.
Het vrouwtje heeft tot 15 mei gegeten, veelal halfwas muizen of behaarde „biggen”. Op 18 mei is het vrouwtje verveld, zij verblijft in die periode veel op de warmste plaats van het terrarium.
Na de vervelling kroop zij in een „legdoos”, een diepvriesdoos gevuld met vochtig houtmot met bovenin een opening als toegang.
Ondanks de vele schuilplaatsen, bloempot en legdoos was het vrouwtje periodiek erg onrustig. Kroop voortdurend in en uit de doos, vaak uren achtereen.
De eieren
Ineens was alle onrust verdwenen en zag ik het vrouwtje niet meer, s'avonds 1 juni legde zij 5 mooie hagelwitte eieren. De eieren zijn vrij groot gemiddeld zo'n 4,5 cm lang en 1,9 cm in doorsnee.
Ik heb de eieren op vermiculite uitgebroed bij een temperatuur van 27 C. De temperatuur heb ik bewust vrij laag gehouden omdat ik bij had gehoord dat de jongen dan groter zouden zijn. Na 72 dagen kwam het eerste jong uit het ei op 11 augustus.Bij het uitkomen kwamen inderdaad 5 forse jongen uit het ei die alle eidooier al geresorbeerd hadden. De lengte van de jongen varieerde tussen de 15 en 20 centimeter.
In vergelijking met anderen is de incubatietijd inderdaad wat langer, bijvoorbeeld; J. Cherry 58 dagen bij 28 C of 55 dagen Waco (temperatuur onbekend).
De jongen
Zoals veel lampropeltis en elaphe jongen zijn ook de jongen van de Lampropeltis ruthveni agressief direct na de geboorte. Bij nadering van een vinger beginnen zij direct te bijten.
De jongen staan bekend als slechte starters wat eten betreft (Raab). Bij alle vijf de jongen klopte dit inderdaad, geen van de slangen begon direct spontaan te eten.
Na het zo'n drie weken aangekeken te hebben, heb ik gebruik gemaakt van de agressie van de jongen. Slangetje vast houden een beetje treiteren en vaak bij de eerste keer bijten lieten zij hun prooi niet meer los en begonnen te eten.
De eerste twee maanden heb ik de jongen zo twee keer per week een babymuis gevoerd. Daarna legde ik eerst een baby in de bak en wachtte 12 uur, had de slang niet zelfstandig gegeten dan voerde ik de slang weer op de oude wijze. In uiterste nood ging ik over tot dwangvoeren, vooral omdat de slangen een periode moet overbruggen en niet doodgaan voordat zij zelfstandig gaan eten.
Nu vier maanden na hun geboorte heb ik nog twee jonge dieren thuis, beide eten wisselend zelfstandig.
Of de bevindingen van Even(1995), het voeren van veeltepelmuizen, ook van pas komt bij Lampropeltis ruthveni heb ik niet kunnen staven omdat ik geen veeltepelmuizen kweek.
Nabeschouwing
Lampropeltis ruthveni is een prachtige slang, maakt vaak als jong een moeilijke start, maar eten deze slangen eenmaal dan is het een zeer eenvoudig te houden slang.
Helaas weerhoudt de startproblemen mensen er nog wel eens van deze slang aan te schaffen.
Literatuur
- Cherry J, 1997, Ruthven's kingsnake, Homepage, https://www.
kingsnake. com/king/ruthveni.
- Eerden H.v.d., 1991, Lampropeltis mexicanain het terrarium, Litteratura serpentium, Vol 11, no 2, blz 15-20.
- Even E., 1995, De veeltepelmuis als ideaal voedseldier voor Lampropeltis pyromelana, Literatura serpentium, Vol 15, no 1, pag 22-23.
- Markel R.G. 1990, Kingsnakes and milksnakes, TFH publicatio ns, inc, Neptune City, 143 pag.
- Raab H., 1997, Lampropeltis ruthveni, Homepage ruthveni, 1 pag.
- Waco, 1997, Queretaro mountain kingsnake, Waco Internet publishing LLC, EMAIL
Omschrijving van de baroni
De Philodryas baroni is een boombewonende slang, en is daar ook geweldig op aangepast, zowel in zijn uiterlijke en karakteristieke kenmerken. De slanke baroni die tot wel 180 cm lang kan worden, is instaat om met zijn sterke en lenige lichaam zich met grote snelheid voort te bewegen, en met zekere precisie een prooi te grijpen. De baroni is achtertandig, dit houd in dat die giftig is, er zijn geen geregistreerde sterfgevallen bekend en de mate van gif afscheiding zowel de sterkte en hoeveelheid staat nog onder discussie. Opvallend aan deze ondersoort is de kop, welke bij jonge dieren geheel in een lijn staan met de „neus', naar mate de dieren ouder worden zal de „neus” vaak wat meer omhoog gaan wijzen. Een donkere streep kan aanwezig zijn, welke over de rug loopt van af de kop tot aan het midden van de rug. Zijdelings loopt er ook een donkere streep van het neusgat tot halverwege het lichaam. Geheel groene of blauwe exemplaren zijn ook bekend, dieren die groen geboren zijn kunnen na verloop van tijd naar blauw omkleuren, soms worden ze ook blauw geboren. Het gedrag en de beweging van de dieren is ook fascinerend, het voortbewegen wordt regelmatig onderbroken met een korte stop, waarbij het voorste gedeelte van het lichaam een klein beetje heen en weer beweegt, dit moet waarschijnlijk op een bewegend takje lijken. Het is een zeer actieve en nieuwsgierige slang die maar al te alert is op alles wat er in zijn omgeving gebeurt.
Eet gedrag
De Philodryas baroni eet in de natuur voornamelijk hagedissen, klein gevogelte en knaagdieren. In gevangenschap geboren dieren zijn niet altijd even makkelijk aan het eten te krijgen. Soms heb je veel geduld nodig en kan verschillende manieren van voer aanbieden helpen, zoals het inprikken van de prooi. Als ze eenmaal eten dan doen ze dit ook erg vaak; wel 2 tot 3 keer per week, dit omdat ze een zeer snelle stofwisseling hebben. Dan maakt het eigenlijk niet meer uit wat je ze aanbied als het uiteraard niet te groot is. De baroni kan je het beste separaat van elkaar voeren in verband met hun enorm agressieve vraatzucht, omdat onbedoeld kannibalisme anders niet is uitgesloten. Bij het voeren van de baroni, (dit is althans mijn ervaring) dat de prooi met grote snelheid gegrepen wordt, ook als het een dode prooi betreft, bij enige tegenstribbeling zal er ook een wurging plaatsvinden. Een levende prooi, van geringe grote zal ook op deze manier door wurging om het leven worden gebracht, kleine prooien worden zonder pardon levend naar binnen gewerkt. Het liefst voer ik dode prooidieren dit in verband met de schade die een prooidier eventueel aan kan richten bij de slang. De dieren in mijn bezit worden om de 3 dagen gevoerd dit om vervetting te voorkomen, dit doe ik middels een voerpincet, dit vanwege de enorme vraatzucht.
Behuizing
Mijn baroni's worden samen (1.1) gehuisvest in een terrarium van 160 cm breed 80 cm hoog en 50 cm diep, voorzien van takken van een gemiddelde doorsnede van 4 cm die horizontale en diagonale klimgelegenheden schept. Tevens is het terrarium ruim voorzien van kunstplanten. De verwarming is middels een spot van 40 W wat zorgt dat de warmste kant van de bak 32 graden is en de koelste kant 24 graden. Aangezien dat de warmte bron intern is zet ik deze handmatig aan om er zeker van te zijn dat er geen dier om of op de lamp aanwezig is. Mongoleur dekgleur
Voortplanting
De exemplaren in mijn bezit zijn ouder als 2 jaar. De vrouw is over de 140 cm de man is kleiner (wat waarschijnlijk soort gerelateerd is) deze is ongeveer 100 cm, de bouw van de vrouw is ook duidelijk grover. Afgelopen winter (2004) heb ik de dieren op een zelfde manier als de Elaphe (Pantherophis) de winterrust in geleid. Dit betekend dat ze alvorens ze de winterrust in gaan 3 weken niet gevoerd worden om te voorkomen dat ze met voedselresten in de maag de rust ingaan. Als dit wel zou gebeuren kan dat het achtergebleven voedsel gaat rotten wat ontstekingen veroorzaakt en soms met de dood als gevolg. Na deze 3 weken laat je de tempratuur afzakken naar 14oC , dit moet je geleidelijk ongeveer een graad per dag doen. Deze tempratuur handhaaf je ongeveer 2 maanden waarna je de tempratuur weer terug kan brengen naar de normale tempratuur, dit doe je uiteraard weer geleidelijk. In het geval van mijn dieren heb ik in de maand maart enkele paringen gezien waarbij de staarten in elkaar gedraaid waren. En al hangend duurde de paring ongeveer een uur. Op 13 mei vervelde de vrouw, voor die tijd had ik een legdoos neer gezet; een kunststof ondoorzichtige doos met een gat er in aan de zijkant, deze had ik op de bodem geplaatst, en voorzien van een laag vochtig houtmot. Van deze legdoos werd steeds meer gebruik gemaakt, tot ze er helemaal niet meer uit kwam, uiteraard controleerde ik regelmatig of er eieren in zouden liggen. Op 25 mei was het eindelijk zover, 15 spierwitte eieren, (met een lengte 5cm lang, en een doorsnee van 3,5 cm) en een onbevrucht ei was het resultaat. De eieren werden op vermiculiet in een afgesloten doos geplaatst welke voorzien was van luchtgaatjes, en in de al gereedstaande broedstoof geplaatst. De broedstoof was afgesteld op 29 graden, na 60 dagen kwamen de eerste jongen te voorschijn, 2 dagen later waren alle 15 jongen uit.
Inleiding
In dit artikel beschrijven wij onze ervaringen met de Mandarijnslang (Elaphe mandarina). Een slang die wordt bewonderd om zijn kleuren en verafschuwd vanwege het feit dat hij moeilijk in leven te houden is.
Vele honderden van deze slangen zijn de afgelopen jaren verkocht, gekoesterd en vervolgens binnen korte tijd dood gegaan.
Een frustratie die nu bij veel slangenhouders omgeslagen is in weerzin in deze slang.
Na diverse reizen richting China, met name Beijing, zijn wij wat meer te weten gekomen over de slangenhandel, consumptie en de gevaren die gepaard gaan met deze handel (voor kwetsbare dieren als slangen).
In het laatste deel wordt beschreven hoe wij al gedurende ruime tijd een aantal van deze slangen verzorgen. Beschreven worden, het terrarium en het gedrag in het terrarium.
Over met name het gedrag is weinig beschreven in de literatuur en wij hopen een bijdrage te kunnen leveren die kennis te vergroten.
Soortbeschrijving
Elaphe mandarina is een Elaphe soort die in 1842 voor het eerst beschreven wordt door Cantor als Coluber mandarinus. De mandarijnslang die op Taiwan voorkomt werd beschreven als Elaphe mandarina takasago. In de huidige taxonomische indeling worden er geen ondersoorten meer erkend van E. madarina.
Er bestaat nog wel de discussie welke status toegekend moet worden aan Elaphe perlacea. Een slang die beschreven is aan de hand van een paar exemplaren door Stejneger(1929). De beschreven vindplaatsen liggen in de buurt van Chengdu een plaats waar ook Elaphe mandarina voorkomt. Er wordt wel gesuggereerd dat Elaphe perlacea een variant van Elaphe mandarina is
(Schulz 1989) of het betreft een aantal exemplaren met een zogenaamde” zetfout”.
Van Elaphe perlacea zijn maar enkele exemplaren bekend en geconserveerd.
Beide slangen worden beschreven als slangen levend in de bergen en zijn gevonden tot 2000/2500 meter hoogte. Elaphe mandarina wordt zelfs gevonden op 3000 meter hoogte(Schulz).
Verder onderzoek zal moeten uitwijzen wat de juiste benaming en taxonomische indeling zal worden.
De Elaphe mandarina is een middelgrote slang met een gemiddelde lengte van 90-120 centimeter. Grotere exemplaren zijn bekend uit met name het zuiden (150 cm Schulz 1996).
De slang is robuust gebouwd, de kop is duidelijk afgezet van de hals. Er is geen sprake van sexueel dimorfisme, gedurende de paartijd zijn de mannetjes wel te herkennen aan een gezwollen staarbasis.
De basiskleur van de Elaphe mandarina is grijs, variërend van donkergrijs tot bijna wit/grijs. Sommige exemplaren hebben op iedere schub een rode waas op het midden van de schub.
De kop is geel zwart gebandeerd, deze kleuren zetten zich voort op de rug in de vorm van zwarte vierkanten met in het midden, precies midden op de rug, een helder gele vierkante vlek.
Verspreidingsgebied
De beschrijving van het verspreidingsgebied (Schulz) ziet er als het volgt uit, Zuid-china, Taiwan, Vietnam, Burma en India. Daarnaast is er ook sprake van een aantal vondsten in noord Laos (Boilstone 1993,Schulz 1996).
Het verspreidingsgebied in met name China is nog erg onvolledig in kaart gebracht. Zo is er discussie over het voorkomen van Elaphe mandarina ten noorden van Beijing in de heuvels. Recent is die vraag positief beantwoord. Heimes (1996) heeft een aantal exemplaren gevonden in diverse dalen bij Jundu Shan, zo'n 100 kilometer ten noorden van Beijing. Deze vondst maakt het verspreidingsgebied van de Elaphe mandarina helemaal raadselachtig, de dichtstbijzijnde vindplaats licht zo'n 300 kilometer zuidelijker.
Verdere inventarisatie zal uit moeten wijzen of dit een geïsoleerde populatie is of dat bij nader onderzoek er verbindingen blijken te bestaan met zuidelijke populaties.
Een andere hypothese is, dat de populatie ontstaan is uit ontsnapte dieren die voor consumptie bestemd waren en tijdens hun transport in de buurt van Beijing ontsnapt zijn (Pope).
Het hele verspreidingsgebied, zoals door Schulz wordt beschreven, vertoont niet een egaal gebied met duidelijke grenzen. Er zijn hele gebieden waar het voorkomen niet bekend is of waar de slang niet voorkomt. Het heeft met name in China meer aspecten van een lappendeken dan van een groot duidelijk gebied.
Leefwijze in de natuur
Erg veel is er niet bekend over de leefwijze in de natuur. Diverse schrijvers spreken van rotsige hellingen die bebost zijn. De slangen worden dan gevonden onder stenen.
Daarnaast wordt de slang, met name in de tropen,beschreven als voorkomend in agrarisch gebied ( rijstvelden en subtropisch bos).
Een van de slangenhandelaren vertelde dat deze slang in de grond leeft, onder grasplaggen. Hier wroet hij gangen vlak onder het oppervlak en zoekt nestholen van kleine knaagdieren, waarvan hij met name de jongen eet.
Dit wordt voor een deel ook gestaafd door hun gedrag in gevangenschap en de hoeveelheid vuil die de slangen op de markt op hun vel hebben zitten ( als zij net gevangen zijn).
Handel
In geheel China wordt bijna alles gegeten wat loopt en kruipt. Een bekend kantonees zegswijs zegt dat chinezen alles eten op vier poten behalve een tafel en alles wat vliegt behalve een vliegtuig (Floor en v.Galen 1996).
Van een bevriende slangenhandelaar hoorde wij dat er tijdens het zogenaamde „Springfestival” alleen in Beijing al zo'n 20 ton slangen geconsumeerd worden. Het betreft hier vooral een aantal elaphe soorten ( carinata, mandarina, rufodorsatum,taeniura) Dinodon rufozonatum, Ptyas korros en Zaocys dhumnades.
Deze soorten hebben wij zelf aangetroffen in restaurants en op markten. Daarnaast is het bekend dat er diverse Bugarus en Naja soorten worden aangeboden. Behalve de diverse slangensoorten zijn ook Cuora amboinensis, Geochelone elongata, Rana catesbeiana en enkele andere schildpadsoorten te vinden ter consumptie. Voor een aantal schildpaddensoorten geldt al dat zij van elders geïmporteerd moeten worden (Suurmond pers. med.). Gevreesd moet worden dat dit in de toekomst ook wel eens met slangen het geval zal zijn.
Vorige jaar werden er per dag, gedurende de 3 zomermaanden, zo'n 3 ton jonge weekschildpadden geïmporteerd uit Thailand, Vietnam, Maleisië en Bangladesh(ongeveer 5 miljoen schildpadden per jaar). De produktie van weekschildpadden bedraagt nu al zo'n 2000 ton per jaar. Dit geschiedt in speciale vijvers die al ruim 1300 hektaren beslaan ( China Daily maart 1997).
Berucht zijn de geïmporteerde slangen, voor de terrariumhouderij, uit met name Hongkong. Vaak volledig uitgedroogd, veelal geïnfecteerd met allerlei wormen en bacteriën komen deze dieren aan om vervolgens snel te sterven. Toen ik dit voorlegde aan de eerder aangehaalde dierenhandelaar, vertelde zij dat de slangenhandel vrijwel geheel geconcentreerd is in Beijing. De slangen worden dus in Zuid china gevangen en naar het noorden getransporteerd. Slangen met bestemming Hongkong komen dus via Beijing en worden vervolgens naar Europa getransporteerd. Een reis, vaak maandenlang, die veel slachtoffers telt.
Slangen worden verzameld in nylon zakken, ongeveer 50-100 slangen per zak afhankelijk van de grote, die weer verpakt worden in bamboe manden. Hierin worden de slangen per vliegtuig vervoerd en vervolgens opgeslagen ( soms wekenlang) tot er een koper gevonden is. Bij aankomst op het vliegveld van Beijing kun je de manden op de platforms zien staan.
Toekomst
Door het stijgen van de welvaart valt ook een stijging van consumptie te verwachten, mensen hebben meer geld (een chinees besteed ongeveer 60 % van zijn inkomen aan eten). Daarnaast heeft er een enorme verbetering van de infrastructuur plaatsgevonden waardoor transport meer mogelijkheden kent en sneller is.
Slang is goed voor je gezondheid, dat moet je regelmatig eten. Het is een delicatesse ondanks de enorme hoeveelheid slangen die aangeboden en gegeten worden. Met name de wat luxere restaurants hebben slang op het menu staan. De prijs is relatief hoog, ongeveer 80 gulden per kilo.
Te verwachten valt dat de leefgebieden kleiner zullen worden door toename van de bevolking en industrialisatie.
Alle ontwikkelingen op een rij gezet, doen ons vrezen voor met name de Elaphe mandarina als terrariumdier. Voor er een redelijk grote populatie nakweekdieren kan ontstaan wordt dit dier al in z'n voortbestaan bedreigd door met name consumptie. De eerste nakweekmeldingen zijn er al (Schulz & Munzenmaier), toch blijkt de Mandarijnslang een slang die veel problemen kent.
Naast de vele slangen die al sterven voor zij aan eten toe komen, is ook het opkweken van de jongen een zaak die veel geduld vraagt. Mandarijnslangen eten relatief kleine prooien en gering in aantal (Schulz pers.med.).
Vaak gaan de wildvangslangen snel na aankoop zonder duidelijke oorzaak dood, soms vlak na het eten van een muis. Dieren meegenomen uit Beijing hadden nauwelijks geïnfecteerde ontlasting, meestal alleen wat flagelaten die eenvoudig te bestrijden zouden moeten zijn. Toch stierven, bij een transport, deze dieren in een relatief korte tijd na aankomst in Nederland (1-2-weken). Er spelen duidelijk nog meer factoren als infecties en dehydratie een rol.
Eigen Ervaringen
In het voorjaar ( april) van 1996 hebben wij op een markt in Beijing 5 exemplaren van de soort Elaphe mandarina gekocht, twee mannetjes en drie vrouwtjes. Een paar was jong, hun leeftijd schatte wij toen op 2-3 jaar oud. Van de drie andere exemplaren is er een uitzonderlijk licht van kleur en zwaar gebouwd, de lengte is ongeveer 1.30 meter. Een ander vrouwtje het kleinste exemplaar is ongeveer 1.00 meter lang en erg donker gekleurd.
Het gewicht van de drie grootste slangen varieerde van 500 tot ruim 600 gram. De twee kleinere slangen wogen ongeveer 200 gram.
Alle slangen waren in goede conditie, geen wonden, heldere ogen, geen afwijkingen aan mondslijmvlies en geen stinkende ontlasting. Opvallend was dat veel (ongeveer 50 %) van de aangeboden mandarina's een deel van hun staart misten. Wij zijn niet achter de reden gekomen, misschien heeft het iets te maken met de wijze van vangen.
De eerste handeling die wij verrichten, na aankoop, is de slangen water aanbieden. Hotelkamer op slot, bad vol laten lopen en drinken maar. Vaak dronk een nieuw gekocht exemplaar 10 tot 15 minuten achter elkaar, dit in tegenstelling tot onze ervaringen met deze dieren in gevangenschap die wij zelden zien drinken.
De slangen zijn, bij aankoop, vies. Er komt erg veel modder van hun huid na hun dagelijkse bad. Ik denk dat dit veel te maken heeft met de leefwijze van Elaphe mandarina. Na een aantal vervellingen zijn de dieren aanmerkelijk lichter gekleurd, een aantal bijna wit.
Huisvesting
De terrariums waarin de slangen zijn gehuisvest zijn zeer eenvoudig. Een eenvoudige spaanplaat bak ( 50x35x35 ), de bodembedekking bestaat uit een dikke laag fijne beukenspaanders. In het terrarium staat een plastic emmer afgesloten met een deksel met daarin een gat van 5 cm doorsnee. De emmer is gevuld met vochtig houtmot, die eens in de drie weken verschoond moet worden ivm schimmelgevaar.
De verwarming/verlichting bestaat uit een 15 watt lampje. De temperatuur varieert tussen 16-20 graden s'nachts en 22-27 overdag, dit is afhankelijk van de temperatuur die de kamer heeft waar het terrarium in staat.
Gedrag
Om te kunnen genieten van een paartje Elaphe mandarina, moet je nachtmens worden. Overdag zijn de dieren niet tot nauwelijks actief. Voortdurend trekken zij zich terug in de emmers gevuld met houtmot. In het jaar dat de vijf dieren in ons bezit zijn zijn er twee slangen die af en toe te zien zijn, de andere drie hebben wij nooit kunnen betrappen buiten hun schuilplaats. Alleen tijdens inspecties zien wij alle dieren.
Gedurende het jaar van aankomst aten alle slangen matig, zeer onregelmatig en kleine prooien.(teveel om te sterven, te weinig om te leven). Toch bleven vier slangen op gewicht, zelfs na een winterrust. Een van de kleine slangen zijn wij in het voorjaar 1997 gaan dwangvoeren omdat het lichaamsgewicht kritiek werd.
De andere vier eten aanmerkelijk meer als het jaar van import. Zeer verborgen en met name s'nachts eten de slangen hun prooi die aangeboden wordt in de emmers.
De man is in het voorjaar een aantal malen onrustig geweest en kroop dan regelmatig uit de emmer en bleef soms een of twee dagen ingegraven in de beukensnippers liggen om vervolgens weer naar de emmer terug te keren.
De onrust van het mannetje kan geduid worden als „paar” gedrag, paringen hebben wij nooit kunnen waarnemen door de verborgen leefwijze van de dieren.
Naar aanleiding van ervaringen met tientallen exemplaren van deze slang kunnen wij ook enkele kenmerkende facetten van hun gedrag benoemen. Een Elaphe mandarina toont gezond gedrag als hij zich voortdurend verstopt, ligt een slang buiten z'n schuilplaats dan is er iets mis. Behalve bovengenoemd gedrag. Het buiten de schuilplaats liggen is, zo hebben wij ervaren, vaak een voorteken van een naderende dood. Vaak kleurt de slang dan ook diep grijs tot bijna zwart, en de ogen worden troebel zoals bij het naderen van een vervelling.
Gezonde dieren kleuren helder als zij zich verstoppen in een vochtige omgeving, ook vlak voor een vervelling.
Het eten blijft een geheimzinnig gebeuren. Nog maar een keer zijn wij erin geslaagd een etende slang te betrappen. Het eten gebeurt in de emmers en veelal in de nachtelijke uren. Van grote prooien moeten mandarijnslangen niets hebben. Hun voorkeur gaat uit naar nestmuizen, nestratjes en springertjes.
Gedurende de warme zomer van 1997 hebben geen van de vijf slangen gegeten, waarschijnlijk was de temperatuuur te hoog. Voor en met name na de zomer hebben de slangen „veel” gegeten, soms wel 5-10 babyratjes per week.
Nabeschouwing
Al met al blijft de Mandarijnslang een slang die ons boeit. Een slang die voor beginners zeker af te raden is gezien zijn slechte houdbaarheid en geringe aantrekkelijkheid door de verborgen leefwijze. Het kleurpatroon is zeer opmerkelijk en fraai, helaas geeft deze slang haar pracht zelden prijs.
Wij hopen dat er binnen nu en 5 jaar de nakweek van Elaphe mandarina op gang komt. Deze verborgen levende slang is een slang voor specialisten, en wij denken dat hij dat ook altijd wel zal blijven gezien de problemen bij het houden.
Gezien de enorme consumptie in China van deze slang kan het niet anders dan dat hij zeldzaam kan gaan worden. Hieruit moet ook blijken dat hij nu in de natuur in grote hoeveelheden moet voorkomen. Wij schatten dat er per jaar 2 ton Elaphe mandarinas opgegeten worden (dit zijn zo'n 4 a 5000 slangen).
Literatuur
Boilstone M., 1993, De Colubridae van Laos, Litteratura Serpentium, jaargang 13, no 3, pag 86-95.
Da Shan, 1997, Turtle imports could be banned, China Daily,( gratis krant verspreid in zakencentra in de grotere steden)
Heimes P., 1996, Die Amphibien und Reptilien Pekings, Herpetofauna, 18 (105) 27-34.
Galen K.v., Floor H, 1996, China, Odyssee reeks, Babylon/ de Geus uitgeverij, Amsterdam, 793 pag.
Schulz K.D. 1989, Die hinterasiatischen Kletternattern der Gattung Elaphe, Teil XVI, Elaphe Perlacea (Stejneger 1929), Sauria jaargang 11, (deel 2), pag 15-16.
Schulz K.D. en Munzenmaier J., 1990, Die hinterasiatischen Kletternattern der Gattung Elaphe, Teil XVIII Elaphe mandarina (Cantor 1842), Sauria, jaargang 12, (deel 2), pag.25-29.
Schulz K.D. 1996, A monograph of the colubrid snakes of the genus Elaphe Fitzinger, Koelz Scientific Books, Havlickuv Brod, Tjechie, ISBN 80-901699-8-8, 439 pag.